























 | |

Reddingstechnieken op vlak water
Diverse instapmethoden
Slepen
De sleeplijn
Duwen
Redden van een zwemmer
Besluit
- Algemene principes bij reddingen:
We gaan bij het uitoefenen van onze sport natuurlijk steeds proberen te
vermijden dat we in situaties terechtkomen waarin we risico's lopen en er
toe genoodzaakt worden om een redding uit te voeren. We proberen het niveau
van de groep goed in te schatten en het varen dusdanig aan te passen, dat
risicovolle trajecten worden vermeden. Het is daarom noodzakelijk dat we de
onderstaande technieken beheersen en kunnen toepassen.
De verwoording risico en redding kunnen soms zwaar klinken en af en toe zou
de verwoording "hulptechnieken" meer op zijn plaats zijn. Doch
algemeen zullen we spreken van reddingstechnieken.
Het eigenlijke uitvoeren van reddingstechnieken in reële noodsituaties is
slechts weggelegd voor ervaren, geoefende vaarders. Het is trouwens ook niet
de bedoeling dat de initianten deze technieken aanleren. Het is de bedoeling
dat de initiator ze zelf voldoende beheerst om ze in in de praktijk te
kunnen toepassen bij probleemsituaties met initianten. Deze
reddingstechnieken kunnen echter wel op het programma van een initiatie
staan in een speelse vorm. Het helpt de cursisten trouwens zeer goed om
vertrouwd te geraken met hun materiaal en het water.
Bij een redding zijn er twee partijen: de drenkeling (of hij die gered,
geholpen moet worden) en de redder.
Als drenkeling zijn er een aantal belangrijke punten:
- Verlaat de kajak rustig. Je hebt meer tijd dan je denkt. Zoek de treklus
van het spatzeil door de handen langs de kuiprand naar voren te bewegen.
Trek het spatzeil van de kuiprand en verlaat de boot door hem als het ware
als een broek uit te trekken.
- Laat je kajak en peddel nooit los: samen met je kajak heb je extra
drijfvermogen en je bent veel beter zichtbaar voor je redders. Het bij
elkaar houden van het materiaal spaart trouwens extra bergingsacties. Af en
toe laat een situatie niet toe om het materiaal bij elkaar te houden en is
het zelfs beter uit veiligheidsoogpunt om het materiaal los te laten.
Vergeet trouwens nooit dat je eigen persoon veel waardevoller is dan het
materiaal.
- Houd de kajak bij voorkeur bij de voorpunt vast (de
"gemakkelijkste" redding is over het algemeen via de voorpunt).
- Zorg dat de voorpunt van de kano altijd naast je gezicht is en in de
richting wijst waar de golven vandaan komen: zo krijg je nooit de kano over
je heen.
- Zwem niet onder de kano door, maar verplaats je langs de zijkant of indien
aanwezig langs de grijplijnen van de boot.
- Volg altijd de aanwijzingen van de redders op. Zij kunnen de situatie
beter overzien dan jij.
- Probeer steeds kalm en rustig te blijven en probeer om een overzicht te
krijgen over de situatie.
Als redder zijn er ook een aantal punten om niet te vergeten:
- Overzie de situatie, bekijk de veiligheid en praat in op de drenkeling.
Indien er meerdere redders aanwezig zijn neemt één van hen de leiding.
- Let op eventueel paniekerig gedrag bij de drenkeling. Geef rustige en
duidelijke opdrachten en laat zien dat je de zaak in hand hebt. Roepen en schreeuwen
wekt de indruk bij de drenkeling dat je zelf in paniek bent. Kordate bevelen
zijn nodig om tot een paniekerige drenkeling door te dringen.
- Laat de drenkeling tijdens de redding de voorpunt van jouw boot
vasthouden: je kunt hem daar goed in de gaten houden. Op stromend water is
een redding van op het water echter niet zo evident, hier dien je situatie
per situatie in te schatten.
Geef steeds duidelijke aanwijzingen; ga er van uit dat de drenkeling niets
afweet van bergingsacties en onthoud dat de dingen die je als initiator of
als redder logisch vindt niet even evident zijn voor een drenkeling.
- Laat na de redding, op het water, de boot van de ex-drenkeling niet meteen
los, hij is vaak geschrokken en moet zich eerst weer op z'n gemak voelen.
- Houd de persoon daarna ook nog in de gaten, want onzekerheid en eventuele
onderkoeling kunnen later problemen geven.
TOP
- Reddingstechnieken op vlak water:
We dienen een onderscheid te maken tussen de genaamde
zelf-reddingstechnieken en de geassisteerde reddingstechnieken.
2.1. Zelf-reddingstechnieken:
2.1.1 Eskimorol:
De beste en meest efficiënte zelf-reddingstechniek is zonder twijfel de
eskimorol. Van deze techniek zijn er verschillende varianten, de ene al
spectaculairder dan de andere. De manier waarop een eskimorol wordt
uitgevoerd is volledig ondergeschikt aan het eindresultaat. Weer boven water
komen is de boodschap.
Voor de initiator is het van zeer groot belang dat deze zelf kan eskimoteren
om de veiligheid van zijn groep niet in het gedrang te brengen.
Eskimoteren is de techniek om na kentering en zonder hulp van derden, met of
zonder paddel en zonder de boot te verlaten, de boot en zichzelf terug in de
normale vaarpositie te krijgen.
Deze techniek was oorspronkelijk een overlevingstechniek van de jagende eskimo.
Wanner zij in het water terechtkomen,n en de boot verlaten zijn ze zo goed
als ten dode opgeschreven.
Bij de afdalingstrijden, slalom en de polowedstrijden is het beheersen van
deze techniek onontbeerlijk.
2.1.2. Zelfstandig terug instappen met behulp van de paddel:
Wanneer men bij een kentering toch de boot heeft moeten verlaten, en men
is er in geslaagd om de boot terug om te draaien kan men vanuit het water
terug in de boot klimmen. De techniek bestaat er in door, met behulp van de
peddel, een extra steunpunt te creëren en terug in de boot te klimmen. Deze
techniek werkt alleen op rustig water. Bij hogere golven en bij hevige wind
zal het moeilijk tot onmogelijk zijn om de boot in een goede stabiele
positie te houden.
bevestig de paddel zodanig onder de deklijnen (bij zeekajaks), of hou de
paddel zo achter de kuiprand vast, dat één paddelblad plat of net onder
het wateroppervlak rust.
Steun met één hand op de boot en steun met de andere hand af op de
paddelsteel. Werk je bovenlichaam tot op het achterdek van de boot en sla
één been over het achterdek van de boot. Hou het geheel in evenwicht en
schuif de boot in.
deze techniek zal vooral gebruikt worden op breed, open water. Men heeft een
stabiele boot nodig om deze techniek toe te passen. Er mag ook niet te veel
water in de boot zitten, anders zinkt de boot bij het aan boord klimmen. In
de handel zijn er kleine opblaasbare kussentjes te koop die opgeblazen over
het paddelblad kunnen geschoven worden om de paddel meer stabiliteit te
geven bij het instappen.
2.1.3 Zelfredding door inklimmen en oprollen:
Is een bruikbare zelf-reddingstechniek wanneer je toch uit de boot bent
gekomen en je de techniek van het eskimoteren beheerst. Deze techniek is
tevens interessant wanneer je boot ook nog eens is uitgerust met een pomp om
de boot achteraf leeg te maken.
Je boot ligt ondersteboven op het water. Zelf ben je in het water, naast de
boot (of met het hoofd in het mangat) en met het aangezicht in de richting
van de achterste punt. Grijp de kuipranden vast, terwijl je in één van de
beide handen tevens de paddel vasthoudt. Haal diep adem en maak een rol
achterover. Voer deze rol achterover zó uit dat je benen de kuip
inschuiven. Je hangt nu in de boot alsof je net bent omgeslagen. Breng de
paddel in positie en voer een eskimorol uit.
2.1.4 Eskimo-reddingsmethoden:
Bij de eskimoreddingen blijf je zo lang mogelijk in je omgeslagen boot
zitten tot een andere vaarder je te hulp schiet, als dit te lang duurt kun
je er altijd nog uit! Deze technieken vragen wel de nodige koelbloedigheid
van de gekenterde vaarder, maar kunnen wel een hoop werk besparen. Deze
techniek zal bij beginners praktisch nooit kunnen gebruikt worden. Hij kan
wel in spelvorm gehanteerd worden, om de cursist watergewenning en
bootgevoel te geven. Deze techniek kan ook op rivierafvaarten gebruikt
worden, mits het diep genoeg is.
Terwijl je ondersteboven hangt, steek je de handen zo hoog mogelijk boven
water naast de boot. Sla een aantal malen op de kajak om de aandacht te
trekken en beweeg ze van voor naar achter parallel aan de kajak. Hou ruimte
tussen hand en boot, zodat je hand niet meteen geplet wordt wanneer de
redder er per ongeluk tegenaan vaart.
Op het moment dat je steun voelt (punt van een kano of paddelsteel) kan je
je daaraan optrekken.
Er bestaan twee mogelijke uitvoeringen eskimo-reddingstechnieken:
2.1.4.1 Eskimo boegredding (puntjesredding):
Bij deze methode nadert de redder de omgeslagen kajak van opzij, dus
haaks erop. Hij manoeuvreert zijn kajak zodanig dat de voorpunt gepakt kan
worden door één van de bewegende handen van de drenkeling. Zodra deze
voelt dat hij "beet" heeft, pakt hij de voorpunt zodanig vast dat
hij zich gemakkelijk kan optrekken, al dan niet met behulp van een heupslag.

2.1.4.2 Eskimo paddelredding of parallelredding:
Hierbij nadert de redder de omgeslagen kano van voren of van achteren,
dus parallel eraan. Deze methode werkt hetzelfde als de boegredding, alleen
is het vaste steunpunt nu de paddel die als een brug over beide kajaks ligt.
De redder manoeuvreert zijn kajak zo dicht mogelijk naast de kajak van de
drenkeling, pakt diens hand, legt zijn eigen paddel over zowel de eigen als
de omgeslagen kajak en "hangt" de hand van de drenkeling aan de
paddelsteel. De redder zorgt ervoor dat de paddel in deze positie blijft
liggen. De drenkeling kan zich nu met behulp van dit steunpunt weer
optrekken.

TOP
2.2 Geassisteerde reddingmethoden:
Bij onderstaande reddingen volgt de drenkeling de aanwijzingen van de
redder(s) op. In principe doet de redder het werk en hoef je als drenkeling
maar te wachten tot "het over is" (boot ligt terug leeg klaar), en
je weer kan instappen.
2.2.1. X-redding:
De X-redding kan door één redder worden uitgevoerd. Als de redder de
omgeslagen kajak bij de punt vastpakt, gaat de drenkeling aan de voorpunt
van de boot van de redder en blijft daar wachten, tenzij hij gevraagd wordt
op te helpen. De volgende stappen worden afgewerkt:
- De redder tilt de voorpunt van de omgeslagen kajak uit het water en trekt
de boot in omgekeerde positie over zijn kajak heen, tot de kuipopening over
zijn spatzeil ligt. Bij zeekajaks met veel uitrusting op het voordek is het
verstandig om de omgeslagen kajak met de onderkant over de boot te trekken;
door de ronde boeg en bodem glijdt de kajak gemakkelijker om daarna de kajak
te draaien.

De boot "melken" |
- Wip de
omgekeerde kajak een paar keer op en neer om het water eruit te laten
lopen en keer hem weer om. De drenkeling kan assisteren bij het
leegmaken van de boot. Als er andere vaarders aanwezig zijn kunnen deze
in de plaats van de drenkeling komen helpen.
- Schuif vervolgens de lege kajak weer in het water |
- Leg de boot parallel aan de boot van de redder op het water. Gebruik de
paddel van de drenkeling om een stabiele brugverbinding te maken en laat de
drenkeling vervolgens weer instappen.
- Het resterende water kan dan door middel van een voetpompje of een spons
worden verwijderd.

Terug in de boot glijden |
2.2.2. H-redding:
Voor de H-redding zijn twee redders noodzakelijk. Beide redders brengen
hun kano op een bootbreedte naast elkaar, pakken de paddel van de drenkeling
en leggen de (drie) paddels dwars over de kajaks. Beiden pakken de voorpunt
van de omgeslagen boot en tillen hem zo hoog uit het water dat de kuip op de
paddelsteun komt te rusten (de boot niet over de paddels trekken). Nu kan de
boot heen en weer gekieperd worden totdat het water eruit is. De leeggemaakte
kajak weer omkeren en tussen de beide boten van de redders schuiven.
Terwijl de redders het vlot stabiel houden kan de drenkeling er vanaf de
achterkant inschuiven.
 |
De drenkeling kan hier helpen door te zorgen dat de boten van de redders niet
van elkaar af of naar elkaar toe drijven; bovendien kan hij mee zijn kajak op
en neer bewegen om zo het water eruit te laten lopen.Deze methode is alleen zinvol als er weinig water in de omgeslagen kajak is
gekomen, anders is de kans op schade aan de paddels zeer groot. Bij toenemende
golfbeweging wordt de kans da t de boten tegen elkaar slaan
steeds groter en wordt deze methode minder bruikbaar en uitvoerbaar. |
2.2.3. De dobber:
De dobber dankt zijn naam aan het feit dat een gekenterde kajak, die geen
of weinig drijfvermogen heeft, meestal enkel nog maar met een puntje boven het
water uitsteekt.
 |
Wanneer de redder ter plaatse komt gaat de drenkeling mee helpen om de boot in
een horizontale positie te krijgen met het mangat naar boven toe. De redder
brengt de zijn kajak langszij, houdt de volle kajak tegen, terwijl de drenkeling
aan de ander kant van de boot van de redder gaat hangen. De drenkeling reikt
nu over de kajak van de redder, haakt zijn handen onder de verste kuiprand van
zijn eigen boot en steunt met zijn ellebogen op het bovendek van de redder. In
deze houding kantelt hij zijn boot naar de boot van de redder toe zodat het
water eruit begint te lopen. De redder kan helpen door zijn eigen kajak ook te
kantelen, richting drenkeling.
Op deze wijze loopt het meeste water uit de kajak en kan het werk met een
normale X-redding afgemaakt worden.
Voor deze methode is geen grote kracht nodig; zolang de omgeslagen kajak maar
horizontaal blijft, loopt het water eruit terwijl de redder de mate van
kantelen bepaalt. |
2.2.4. Totale redding (All-in-rescue"):
 |
Bij een totale redding zijn alle vaarders in het water terechtgekomen. Om weer
in de boten te komen wordt de stevigste kajak, of boot met het meeste
drijfvermogen, als centraal punt gebruikt. Een aantal zwemmende vaarders houdt
deze boot vast. De eerste te legen kajak wordt in de positie als bij een
X-redding gemanoeuvreerd, over de centrale kajak getrokken en geleegd.
Vervolgens wordt de lege kajak langszij gebracht en de vaarder klimt er in met
behulp van een paddel die als brug over de beide kajaks ligt. Aansluitend wordt
de centrale kajak met een redding geleegd en de andere boten kunnen dan met
een methode naar keuze geleegd worden. |
TOP
- Diverse instapmethoden:
Bij het instappen houdt de reder de geleegde kajak stabiel zodat de drenkeling
er weer in kan klimmen. De redder kan beide kajaks extra stabiliseren door
de paddels over de boten te leggen, door deze onder zijn arm te klemmen, en
zo de kuiprand van de geleegde kajak vast houden. Voor de volgende twee
technieken is er dezelfde beginpositie:
3.1. Tussen twee kajaks:
De drenkeling gaat op zijn rug in recht water liggen, steunt met zijn
handen op de boot van de redder e zijn eigen boot en steekt in deze houding
zijn voeten in zijn kuip. In deze houding schuift hij zo ver naar voren tot
hij niet verder kan en gaat dan rechtop zitten, om zo het laatste stuk naar
binnen te schuiven.
3.2. Vanaf de zijkant:
De drenkeling pakt met de ene hand een paddelblad en met de andere hand de
kuiprand of de kuiprand met beide handen vast en drukt zich omhoog uit het
water (de redder kan hierbij helpen door hem aan zijn zwemvest omhoog te trekken),
zet één knie op zijn kajak, steekt zijn andere been inde kuip, trekt het
andere been bij en gaat zitten.
3.3. Schepmethode:
Niet iedereen heeft voldoende kracht om op één van boven genoemde manieren
in de kajak te klimmen. Ook door koude, ziekte of verwonding kunnen de
krachten afnemen en moet je op een andere manier in je boot komen. De "schepmethode"
biedt dan een eenvoudige en effectieve manier om iemand weer in zijn boot te
krijgen. Er is geen speciale uitrusting voor nodig, alleen heeft de kajak voldoende
drijfvermogen en een pomp nodig.:
De redder komt naast de kajak van de drenkeling liggen met zijn voorpunt in
tegenovergestelde richting. De drenkeling gaat op zijn rug liggen met zijn
voeten naar de voorpunt van zijn kajak toe en de redder draait deze zijn
boot op z'n kant met de kuipopening naar de drenkeling toe. Als het water de
kuip inloopt, leidt de redder de benen van de drenkeling in de kuip. De
drenkeling "drijft" dus zijn boot in tot zijn achterwerk bij de
achterrand van de kuip is. Terwijl de drenkeling de voorrand van de kuip
vasthoudt, drukt de redder langzaam de hoogste kant van de kajak naar
beneden. Hierdoor wordt de drenkeling in zijn zitje "geschept".
Eens rechtop moet de boot worden leeggepompt.
Het voordeel is dat deze techniek weinig hulp vraagt van de persoon in het
water, het nadeel is dat de kuip vol water moet lopen en dan weer moet
worden leeggepompt.
TOP
- Slepen:
Op groot water kan je onder bepaalde omstandigheden een sleeplijn nodig
hebben. Bijvoorbeeld wanneer iemand in moeilijkheden is geraakt; steeds
omslaat, geen koers kan houden, zeeziek is, of de snelheid van de groep te
veel drukt.
Zelfs een niet-kajakker kun je op groot water en zee in veiligheid brengen:
bijvoorbeeld een onderkoelde drenkeling kan direct in een reddingszak (of
thermische deken) gestopt worden, op een vlot gelegd en naar de kant
gesleept worden.
In een reddingssituatie kan de sleeplijn ook uitstekend van pas komen:
wanneer de redder en slachtoffer te dicht bij de branding of een ander
obstakel dreigen te komen, kan iemand een sleeplijn aan de kajak van de
redder vastmaken en hem zo in de wind en golven houden en eventueel
wegslepen naar rustiger vaarwater.
Slepen kan op een aantal manieren worden uitgevoerd:
Standaard slepen
Geassisteerde sleep
Tandem sleep
Waaier sleep
4.1. Standaard sleep:
Dit is de basis uitvoering van een sleep: de ene kajakker neemt de andere op
sleeptouw. Deze methode is bruikbaar als iemand geen koers kan houden of
niet meer mee kan komen.
4.2. Geassisteerde sleep:
Als iemand niet meer zelfstandig kan varen, zal hij moeten worden
ondersteund. Hiertoe wordt hij door een of twee vaarders ondersteund en
vastgehouden waardoor een stabiel vlot ontstaat.
Van dit te slepen vlot worden de punten aan elkaar bevestigd en wordt vanuit
het midden gesleept.
4.3. Tandem sleep:
Om bij bovengenoemde situatie de taak van de sleper wat te verlichten,
kunnen meerder "sleepboten" achter elkaar worden gekoppeld, zodat
de éne sleper de andere sleper sleept.
4.4. Waaier sleep:
In plaats van achter elkaar, kun je ook met meerdere vaarders naast elkaar
slepen. Hierbij trekt de middelste het centrum van het samengebonden vlot en
de buitenste slepers trekken de respectievelijke buitenste kajaks. Deze
manier van slepen, is geschikt om een vlot met meerdere boten in bedwang te
houden.
TOP
- De sleeplijn:
De sleeplijn dient om een kajakker te kunnen slepen. Wanneer gebruik je de
sleeplijn?
Bijvoorbeeld wanneer iemand niet op eigen kracht uit een gevaarlijke
situatie kan komen, de groep zodanig ophoudt dat daardoor problemen voor de
groep kunnen ontstaan, bij ziekte of bij blessures.
5.1. Lange lijn:
Voor de sleeplijn kan drijvende polipropyleen lijn van 4-6 mm worden
genomen, ca. 1,5 tot 2 maal de lengte van de boot en voorzien van een stuk
"shockkoord", een karabijnhaak en een drijfelement om de haak aan
de oppervlakte te houden. Het is handig om het geheel op te bergen in een
draagtasje dat binnen handbereik is. De "shockkoord" heeft de
functie om het schokken of "snokken" tijdens het slepen op te
vangen en zo je rug een beetje te sparen.
Het drijfelement zorgt er voor dat de karabijnhaak niet gaat zinken wanneer
de boot wordt losgekoppeld.
De sleeplijn kan zowel aan de boot van de sleper als aan het zwemvest van de
sleper worden vastgemaakt. Zorg er in ieder geval voor dat je in geval van
nood steeds de sleeplijn kan loskoppelen. Bij het wildwatervaren staat de
sleeplijn ook gekend als cow-tail.
De sleeplijn moet snel vast- en losgemaakt kunnen worden, zowel van de te
slepen kajak als van de eigen kajak. Gebruik daarom een karabijnhaak of
musketonhaak om de andere boot vast te maken. Wanneer we de sleeplijn
vastmaken aan het zwemvest van de sleper dan zal dit gebeuren aan het
veiligheidsharnas, dat steeds kan losgegooid worden. Het bevestigingspunt
aan de boot van de sleper moet tevens voorzien zijn van een snelkoppeling.
Bij voorkeur zal dit bevestigingspunt op de kajak direct schuin achter het
zitje gemaakt worden, binnen handbereik.
5.2. Kort lijntje:
Een kort lijntje van maximaal 1 meter, met in het midden een oog is even
nuttig als een lange lijn. In een aantal gevallen is het praktischer: snel
even vastmaken aan een wegdrijvende kajak en de boot wegslepen.
Wanneer je een lege kajak op sleeptouw moet nemen, kun je het lijntje aan de
voorkant vanonder af aan eventueel aanwezige deklijnen vastmaken, waardoor
het oog aan de onderkant komt te zitten. Door aan dit oog de lange sleeplijn
vast te maken, blijft de gesleepte kajak altijd rechtop drijven en beter op
koers. Het is goed om de twee soorten van sleeplijnen bij te hebben, vooral
bij tochten met zeekajaks.
TOP
- Duwen:
Wanneer je door omstandigheden je sleeplijn niet kunt gebruiken bestaat er
ook nog de mogelijkheid om een medevaarder te ondersteunen en toch vooruit
te komen. Hiertoe breng je de voorpunt ter hoogte van zijn middel, waarbij
hij de aangeboden punt onder zijn arm klemt, op jouw voorpunt steunt en
zorgt dat zijn kajak op koers blijft. Deze methode kun je ook gebruiken als
aanvulling op een gecombineerde sleep: je kunt zo de taak van de slepers
verlichten door het vlot te duwen.
TOP
- Redden van een zwemmer:
De zeevaarder, met zijn snelheid en vaardigheid door de branding, biedt een
snelle reddingsmethode aan iemand in moeilijkheden. Dit hoeven geen
kanovaarders te zijn, en hun fysieke toestand kan variëren van gewoon
vermoeid tot bewusteloos.
7.1. Vervoer op het achterdek:
Als de drenkeling meewerkt en niet helemaal van de kaart is door angst,
vervoer hem dan op het achterdek. Dit is mogelijk de beste manier om iemand
relatief snel te vervoeren. De drenkeling moet zijn lichaam laag op het dek houden,
zodat de balans van de kajak niet beïnvloed wordt. Om meer stabiliteit te
hebben kan de drenkeling zijn benen langs beide zijden van de boot in het
water laten hangen. Deze techniek kan tevens op stromend water toegepast
worden om een vaarder te bergen of deze naar de andere oever te vervoeren.
Dit transport is tevens een leuke spelvorm bij warm weer. De drenkeling moet
duidelijk gemaakt worden dat hij stevig dient vast te houden en dat hij in
geval van kentering de boot moet loslaten.

7.2. Vervoer aan de punt:
Deze methode is ideaal voor iemand die moe en nerveus is omdat je hem in
deze positie in de gaten kan houden en hem moed in kan spreken tijdens het
vervoer.
De drenkeling gaat onder aan de voorpunt hangen en moet met zijn armen en
benen de voorpunt omklemmen. Zorg er altijd voor dat de boeg van de kajak op
een schouder van de drenkeling rust, zodat zijn tanden niet als schokbrekers
worden gebruikt!

TOP
- BELANGRIJK: Besluit
Vergeet nooit dat paniekerige drenkelingen met de nodige voorzichtigheid
dienen benaderd te worden. Door hun wilde grijpbewegingen kunnen zij zodanig
aan de boot van de redder trekken dat deze ook kan kenteren. Gebruik daarom
indien nodig je paddel om je eigen veiligheid te waarborgen. Praat op de
drenkeling in en probeer deze te kalmeren. Zorg er steeds voor dat jij de
situatie gaat controleren.
Succesfactoren:
Het succes van de hier beschreven reddingsmethoden hangt af van tal van
factoren:
De leeftijd en de fysieke
conditie van de betrokkenen, zowel van de redders als van de
drenkelingen.
Het vaardigheidsniveau van
de cursisten of van je metgezellen en hun algemene mentaliteit.
Het type zwemvest en de
gedragen kleding.
De afstand tussen de leden
van de groep en het moment van omslaan.
De toestand van het
wateroppervlak en de watertemperatuur.
De afstand tot de oever.
De aanwezigheid van rotsen
of obstakels.
Het gewicht van de
uitrusting in de omgeslagen kajak (drijfvermogen, pomp, grijplijnen, ...).
De aanwezigheid van
wateroppervlakgebruikers.
De hoeveelheid drijfvermogen
in de kajaks.
De persoonlijke
kwaliteiten en ervaring van de leider.
Omslaan kan aanstekelijk werken, waardoor andere zwempartijen volgen. Vaak
moet je de aandacht tussen meerdere calamiteiten verdelen. De snelheid en
efficiëntie waarmee een redding wordt uitgevoerd is ontzettend belangrijk.
Het zal vaak nodig blijken dat een combinatie van reddingstechnieken moet
gebruikt worden om een moeilijke reddingssituatie op te lossen.
De sleutel tot succes is veel oefenen tegen de klok, in controleerbare, woelige
omstandigheden, zelfs als dit betekent dat het kunstmatig in een zwembad moet
gebeuren. Heb daarom de discipline om reddingssituaties te oefenen.
"Iedere oefening is beter dan geen oefening!".
Uit: Vlaamse Trainersschool - Cursus Initiator Kajak /
Jeugdbegeleider
TOP
Terug
|