|
Techniek van het kajakvaren en de behandeling van het materiaal
1. De paddel en de paddelgreep
1.1 Hoe herkent men een linkse en een rechtse paddel?
De paddel wordt verticaal voor het lichaam gezet.
De holle kant van het onderste paddelblad wordt naar de voeten gedraaid.
Men kijkt naar welke kant het bovenste paddelblad buigt.
Deze bepaalt of de paddel links is of rechts.
1.2 Wie geven we een linkse of rechtse paddel?
Vroeger maakte het niet veel uit of je nu een linkse of een rechtse paddel
gebruikte, als je maar steeds dezelfde gebruikte.
In de Oostenrijkse wildwaterscholen houdt men er een ander mening op na. Een
rechtshandige krijgt een rechtse paddel en een linkshandige krijgt een linkse
paddel.
Waarom?
Bij een rechtse paddel vervult de rechterhand de functie van klemhand en
de linkerhand de functie van pivoteerhand.
Later zullen we zien dat de klemhand voortdurend voor- en achterwaarts kantelt
bij het paddelen. De pivoteerhand blijft daarentegen immobiel. Een rechtshandige
zal het dus fijner vinden wanneer zijn rechterhand het belangrijkste werk doet.
1.3 Het bepalen van de paddelgreep
Voor het bepalen van de paddelgreep leggen we het midden van de paddelschacht
op het midden van het hoofd. De beide handen grijpen links en rechts de
paddelschacht en wel zo dat de boven- en onderarm een hoek van 90° vormen.
De afstand tussen de beide handen is zowat de uiterste paddelgreep. Meestal zal
het prettiger zijn de handen enkele cm. naar binnen te brengen.
De paddelgreep dient mooi te worden verdeeld over de paddelschacht en wel zo dat
de afstand van de buitenkant van de handen tot de beide paddelbladen gelijk is.
Top
 |
De afstand A-B dient gelijk te zijn aan C-D
De boven- en onderarmen vormen een hoek van 90°
Benaming van de kajakdelen
Benaming van de paddeldelen
Top
De vaartechniek voor de kajak
De voornaamste basisslag: hierbij zet je het paddelblad beurtelings rechts en
links voor je in het water.
De inpikbeweging
 |
De
rechterarm is voorwaarts gestrekt, de rechterschouder is door draaiing van
de romp iets naar voor gedraaid.
|
 |
De
linkerarm is gebogen, de hand ter hoogte van de schoudertop en de elleboog
wordt schuin naar beneden gehouden.
|
 |
De
rechterarm is klaar om te trekken (trekarm)
|
 |
Het
paddelblad wordt verticaal en dicht bij de bootrand volledig in het water
gestoken. |
De doorhaalbeweging
 |
De
rechterhand trekt het paddelblad evenwijdig aan de lengteas van de boot,
en zo dicht mogelijk tegen de bootrand naar achter.
De hele doorhaalbeweging berust op het gelijktijdig trekken met de
rechterarm en duwen met de linkerarm ter hoogte van de schouder
(verhouding duwkracht / trekkracht = 1:2)
De doorhaal komt aan zijn einde wanneer de rechterhand ter hoogte van de
heup komt en de linkerarm gestrekt is en de hand zich tussen schouder- en
ooghoogte bevindt. |
De uithaalbeweging
 |
Na
het voltooien van de doorhaal wordt het blad uit het water getild.
Dit gebeurt met een zijdelingse beweging die met zo min mogelijk
watergespat moet gepaard gaan.
De beweging kan gebeuren door het ontspannen heffen van boven- en
onderarm.
Tijdens het heffen wordt de paddel een kwartslag gedraaid. Deze draai
gebeurt door de rechterhand (klemhand) te kantelen en de paddelschacht
door de linkerhand (pivoteerhand) te laten roteren.
Hiervoor dient de linkerhand los en ontspannen rond de paddelschacht te
zitten.
|
De luchtbeweging
 |
Dit
is de beweging die het blad beschrijft tijdens de duwfase.
Het blad snijdt horizontaal door de lucht om zo weinig mogelijk weerstand
te ondervinden.
Door de horizontale stand van het blad heeft de lucht er weinig vat op en
blijft de boot zijn koers behouden.
|
Een aantal fouten die men geneigd is te maken:
- men vaart met een te ronde rug
- de paddel wordt te laag gehouden
- de duwbeweging wordt te hoog of te laag gemaakt
- men draait de pols te ver door
- men houdt de paddel te krampachtig vast
- men trekt of duwt met een gebogen pols
- men trekt de paddel tot ver achter de kuip door
Top
Ter plaatse draaien op het water
De basisslag die we gebruiken bij het ter plaatse draaien op het water noemen
we de boogvormige doorhaal.
Deze boogvormige doorhaal kan zowel vooraan, achteraan als gecombineerd
ingezet worden.
Eénzijdige boogvormig doorhalen van boeg naar hek.
|
Vanuit stillig wordt het bovenlichaam zo ver mogelijk naar
voor gebogen.
De paddel wordt zo ver mogelijk naar voor, naast de boeg ingepikt. |
De paddel wordt nu door middel van een zo groot mogelijke boogvormige
doorhaal tot helemaal aan het hek doorgehaald.
Deze slag moet herhaald worden tot de boot 360° gedraaid is.
Bij het gebruik van deze methode blijft men niet volledig ter plaatse . Het doel
is alleen het goed aanleren van deze basisslag. De vaarder dient hem zowel links
als rechts te oefenen.
Het volledig ter plaatse draaien door de kombinatiemethode
Door het beurtelings toepassen van voorgaande methodes kan de boot 360°
draaien zonder merkelijke plaatsverandering op het water.
Het aantal benodigde slagen om 360° te draaien is afhankelijk van het boottype.
Na voldoende oefening moet men er in slagen om een T-boot met vijf slagen 360°
te draaien.
Top
Kernpunten
 | Hoe groter en krachtiger de boogvormige doorhaal, hoe sneller en in hoe
minder slagen men 360° gedraaid is. |
 | Door de ondersteuning van de doorhalen, door middel van het knikken van de
boot, draait men nog sneller (slagzij maken van de boot naar de
tegenovergestelde zijde van de draairichting). |
Het slingeren van de boot
Het slingeren of gieren van de boot is een probleem waar iedere beginnende
vaarder, de één al wat meer dan de ander, last van heeft.
Meestal vindt de vaarder er zelf een oplossing voor.
De praktijk heeft uitgewezen dat op iedere groep van tien vaarders er minstens
twee bij zijn die zware problemen hebben om koers te houden.
Wat zijn de mogelijke oorzaken van dit slingeren?
- De vaarder zit niet precies op het midden van zijn zit, waardoor de boot
gaat knikken en afwijken.
- De paddelgreep is niet goed verdeeld over de paddelschacht waardoor de
hefboom aan één zijde groter is dan aan de andere zijde.
- De vaarder trekt aan één arm krachtiger dan aan de andere. Een juiste
krachtverdeling is dus noodzakelijk.
- Het kan zijn dat de slagen aan beide zijden niet identiek zijn. B.v.:
terwijl de slag aan één kant evenwijdig met de lengteas van de boot gaat,
gebeurt hij aan de andere zijde boogvormig.
- De doorhaal aan één zijde is langer dan aan de andere zijde (snellere
uithaal of kortere inpik).
- De pivoteerhand verschuift tijdens het draaien van de paddel.
Soms ligt de oorzaak niet bij de peddelaar.
- De wind staat schuin op de boot. Heeft de boot een hoog bovendek dan zal
de afwijking groter zijn.
- Er zijn stromingen die de boot uit koers brengen.
Een hulpmiddel om beter de koers de bewaren.
De vaarder dient zich te richten op één bepaald punt in de verte.
Terug
|